In een uitgestrekt Nepalees landschap zoekt een jongen na de dood van zijn oma naar tekenen van haar aanwezigheid en ontdekt hij dat zij in herinneringen en in de natuur toch altijd dichtbij blijft.
Bibliografische gegevens
- Titel: Altijd dichtbij
- Auteur/Illustraties: Mark Janssen
- Uitgever: Lemniscaat (2020)
Het verhaal
Babu begrijpt niet goed wat er met hem is gebeurd sinds zijn oma is overleden. Zijn hoofd zit vol vragen en ’s nachts kan hij er nauwelijks van slapen. Hij luistert naar de geluiden van de nacht, maar die geven hem geen antwoorden. Om zijn onrust kwijt te raken, springt hij in het water van het Meer van Pokhara. Hij zwemt en duikt zolang tot het bijna donker wordt. Langzaam lijkt zijn boosheid weg te zakken in het water. Wanneer hij weer boven komt, voelt hij zich lichter.
Voordat zijn oma stierf, had ze hem gevraagd flink te zijn. Oma had tegen Babu gezegd dat als hij zich verdrietig voelde, zij dan heel dicht bij hem zou zijn. Maar Babu wist heel zeker dat alles dichtbij was, behalve oma en dat hij er alleen voor stond. De dagen erna vroeg hij zich af waar zou zijn. Het gemis werd alleen maar sterker:
‘Maar hoe harder ik probeerde
haar niet te missen,
hoe meer ze mij ontbrak.’
Hij vraagt zich af waar ze nu zou kunnen zijn. Misschien op het plein? Misschien kan ze hem een teken geven? Zou ze het koele briesje kunnen zijn dat langs hem waait, of een boom die zachtjes in de wind beweegt?
Wanneer hij urenlang bij de oude banyanboom zit, wordt zijn verdriet langzaam iets minder zwaar. ’s Avonds klimt hij naar het dak van de Apentempel. Daar, hoog boven de stad, voelt hij zich dicht bij de hemel. Hij kijkt naar de duizenden sterren, maar hij durft er geen één uit te kiezen. Duizenden sterren stonden aan de hemel maar Babu kon er niet één kiezen, stel je voor: ‘Ik zat er naast…’ Wat als hij zich vergist?
Aan het einde van de zomer gaat Babu bij zijn opa logeren. Op een avond hoort hij mensen roepen dat ze er weer is. Even denkt hij aan zijn oma, maar wanneer hij kijkt ziet hij dat het een neushoorn is. Maar toen hij ging kijken wist hij dat het oma niet was want als ze een dier zou zijn dan toch zeker geen neushoorn. Maar misschien wel de vlinder die hij daar zag.
De tijd ging verder en het ging goed met mij. Ik was druk met mijn lessen maar miste oma toch ook wel. Wel begon ik het te begrijpen. Ik herkende in wel duizenden gezichten iets van oma: ‘Allemaal losse stukjes van het allerliefste gezicht.’ .
En hij weet nu dat ze een glimlach was, maar ook een vogeltje, een aap, een boom die schaduw gaf, de vis in het meer, de vlinder. En als opa haar mist en hij de warme wind op zijn gezicht dan weet hij dat ze er is. Babu denkt dat ze ‘altijd dichtbij’ is.
Hoe de dood wordt gepresenteerd
In Altijd dichtbij wordt de dood niet als een concreet moment van sterven getoond, maar vooral verbeeld via het proces van rouw en het zoeken naar betekenis. Het verhaal begint nadat Babu’s oma is overleden. In plaats van het overlijden zelf centraal te stellen, richt het boek zich op de vragen en gevoelens die bij Babu ontstaan. Dit sluit goed aan bij de manier waarop kinderen vaak met verlies omgaan: zij proberen te begrijpen waar de overledene is gebleven en zoeken naar tekenen van aanwezigheid in hun omgeving.
De dood verschijnt in het verhaal vooral als een afwezigheid die tegelijk een nieuwe vorm van nabijheid krijgt. Aanvankelijk ervaart Babu vooral verwarring en gemis. Hij vraagt zich af waar zijn oma nu kan zijn en zoekt haar op verschillende plekken: in de natuur, in de wind, in dieren en zelfs in de sterren. Deze zoektocht weerspiegelt hoe kinderen proberen betekenis te geven aan het verdwijnen van een geliefde.
Tegelijkertijd bevat het verhaal subtiele verwijzingen naar ideeën over reïncarnatie of voortbestaan in andere vormen. Babu vraagt zich bijvoorbeeld af of zijn oma misschien terugkomt als een dier, een vlinder of een natuurverschijnsel. In studies en scripties waarin het boek wordt gebruikt om met kinderen over dood en het hiernamaals te praten, wordt opgemerkt dat deze beelden aansluiten bij religieuze en culturele ideeën waarin mensen na hun dood op een andere manier in de wereld kunnen voortbestaan. Het boek geeft hiervoor echter geen vaste verklaring, maar laat bewust ruimte voor verschillende interpretaties.
Gaandeweg verschuift het perspectief van verlies naar verbondenheid. Babu ontdekt dat hij zijn oma kan herkennen in kleine dingen om zich heen: in een glimlach, in de natuur, in herinneringen en in momenten waarop hij aan haar denkt. De dood wordt zo niet voorgesteld als een definitief verdwijnen, maar als een verandering van aanwezigheid. Het idee dat iemand via herinneringen, gevoelens en de wereld om ons heen ‘altijd dichtbij’ kan blijven, vormt uiteindelijk de kern van het verhaal.
Kernthema’s
In het verhaal staan verschillende thema’s centraal die samen laten zien hoe een kind probeert om te gaan met het verlies van een geliefde grootouder. Centraal staat het zoeken naar betekenis na een overlijden en de manier waarop herinneringen en verbeelding daarbij een rol kunnen spelen.
Rouw en gemis
Het meest centrale thema is het verdriet van Babu na het overlijden van zijn oma. Hij begrijpt niet goed wat er is gebeurd en wordt overvallen door gevoelens van boosheid, verwarring en gemis. Het verhaal laat zien dat rouw niet alleen verdriet is, maar een complex geheel van emoties dat tijd nodig heeft om een plaats te krijgen.
Zoeken naar betekenis
Een belangrijk onderdeel van het verhaal is Babu’s zoektocht naar waar zijn oma nu zou kunnen zijn. Hij kijkt naar de natuur, naar dieren, naar de wind en naar de sterren. Deze zoektocht weerspiegelt hoe kinderen vaak proberen te begrijpen wat de dood betekent en waar iemand na het overlijden blijft.
Verbeelding en interpretatie van het hiernamaals
Het boek laat ruimte voor verschillende ideeën over wat er na de dood gebeurt. Door beelden van dieren, natuur en sterren ontstaat de suggestie dat een overleden persoon op een andere manier kan blijven bestaan. In studies waarin het boek wordt gebruikt om met kinderen over dood en het hiernamaals te praten, wordt benadrukt dat deze openheid kinderen helpt om hun eigen ideeën hierover te vormen.
Herinnering en blijvende verbondenheid
Gaandeweg ontdekt Babu dat hij zijn oma kan blijven voelen in kleine dingen om zich heen. Hij herkent haar in gezichten, in de natuur en in herinneringen aan momenten die ze samen beleefden. Het verhaal laat daarmee zien dat de band met een overleden persoon niet verdwijnt, maar op een andere manier kan blijven bestaan.
Troost en acceptatie
Aan het einde van het verhaal verschuift de nadruk van verlies naar troost. Babu begint te begrijpen dat zijn oma misschien niet meer zichtbaar aanwezig is, maar dat zij in zijn herinneringen en in de wereld om hem heen kan blijven voortleven. Deze gedachte geeft hem langzaam een gevoel van rust en acceptatie.
Symboliek
Symboliek speelt een belangrijke rol in de manier waarop het verhaal over verlies en herinnering wordt verteld. Door middel van beelden uit de natuur en terugkerende motieven wordt zichtbaar gemaakt hoe Babu probeert betekenis te geven aan de dood van zijn oma. In plaats van een duidelijke uitleg over wat er na de dood gebeurt, gebruikt het verhaal symbolische beelden die ruimte laten voor verschillende interpretaties.
Het water van het Meer van Pokhara
Wanneer Babu in het meer duikt, lijkt zijn boosheid langzaam van hem af te glijden. Het water kan hier worden gezien als een symbool van zuivering en verwerking. Door zich onder te dompelen in het water vindt hij een moment van rust en verlichting van zijn verdriet.
De banyanboom
De oude banyanboom waar Babu lange tijd zit, fungeert als een plek van bezinning en troost. In veel culturen staat deze boom symbool voor leven, verbondenheid en continuïteit. In het verhaal wordt de boom een plek waar Babu zijn verdriet kan laten bezinken en waar hij langzaam begint na te denken over de aanwezigheid van zijn oma.
Dieren en natuurverschijnselen
Babu vraagt zich af of zijn oma misschien terug te vinden is in dieren, in de wind of in andere elementen van de natuur. Zo denkt hij bijvoorbeeld aan een vlinder of een vogel. Deze beelden kunnen worden gezien als symbolen voor de gedachte dat iemand na de dood op een andere manier aanwezig blijft, of terugkeert, in de wereld.
De sterrenhemel
Wanneer Babu naar de sterren kijkt, voelt hij zich dichter bij de hemel. De sterren fungeren hier als symbool voor het onbekende en voor de vraag waar iemand na de dood naartoe gaat. Tegelijk benadrukt zijn twijfel, hij durft geen ster aan te wijzen als zijn oma, hoe moeilijk het is om zekerheid te vinden over het hiernamaals.
Door deze symbolische elementen, het water, de boom, de natuur en de sterren, laat het verhaal zien hoe een kind probeert om het verlies van een geliefde te begrijpen. De symboliek maakt het mogelijk om over dood en rouw te spreken zonder een eenduidig antwoord te geven, waardoor het boek ruimte laat voor persoonlijke interpretatie en troost.
Rol van illustraties en kleurgebruik
De illustraties spelen een centrale rol in het vertellen van het verhaal. Het boek is volledig opgebouwd uit zwart-witte tekeningen. Door het ontbreken van kleur ligt de nadruk sterk op lijn, schaduw en textuur. Deze sobere beeldtaal geeft de prenten een rustige en verstilde sfeer die goed aansluit bij het thema van rouw en bezinning.
Met zijn gedetailleerde tekeningen laat Janssen het landschap rond Pokhara tot leven komen. Bergen, water, bomen en dieren worden zorgvuldig uitgewerkt, waardoor de natuur een belangrijke rol krijgt in het verhaal. In veel prenten staat Babu klein afgebeeld in een groot en uitgestrekt landschap of omgeving. Deze compositie benadrukt zijn gevoelens van eenzaamheid en zijn zoektocht naar antwoorden na het overlijden van zijn oma.
Daarnaast ondersteunen de illustraties de innerlijke beleving van Babu. Door variaties in lijngebruik, uitlichting en schaduwwerking ontstaat een visueel ritme dat de emoties van het verhaal volgt: momenten van onrust, verdriet en nadenken worden afgewisseld met stillere beelden waarin Babu troost lijkt te vinden in de natuur om hem heen. De gedetailleerde potloodtekeningen nodigen de lezer uit om langer naar de beelden te kijken en zo samen met Babu te zoeken naar betekenis.
Ook de manier waarop dieren, bomen en natuurverschijnselen in beeld verschijnen sluit nauw aan bij Babu’s gedachten en verbeelding. Ze maken zichtbaar hoe hij probeert zijn oma terug te vinden in de wereld om hem heen. Zo versterken de illustraties het centrale idee van het verhaal dat herinneringen en gevoelens ervoor kunnen zorgen dat iemand die is overleden toch ‘altijd dichtbij’ blijft.
Betekenis voor kinderen
Voor kinderen kan dit prentenboek een waardevolle rol spelen bij het nadenken over dood, rouw en wat er na het overlijden van een geliefde gebeurt. Het verhaal biedt aanknopingspunten om vragen te stellen en eigen gedachten over verlies te verkennen. Door Babu’s zoektocht naar zijn oma in de natuur en in de wereld om hem heen worden kinderen uitgenodigd om na te denken over waar iemand na de dood zou kunnen zijn en op welke manieren een overledene nog aanwezig kan blijven in herinneringen of gevoelens.
Dit boek kan ingezet worden in gesprekken met kinderen. Het verhaal kan helpen om hun eigen ideeën over het leven na de dood te verwoorden. Veel kinderen blijken te begrijpen dat de dood biologisch gezien het einde van het leven betekent, maar tegelijkertijd denken zij vaak dat een overledene op een bepaalde manier kan blijven bestaan. Zo kunnen zij het idee hebben dat iemand nog meekijkt, ergens anders verder leeft of terug te vinden is in de natuur. Het verhaal sluit aan bij deze manier van denken doordat het geen eenduidige verklaring geeft, maar ruimte laat voor verschillende interpretaties.
Daarnaast kan het boek helpen om persoonlijke ervaringen met verlies bespreekbaar te maken. Wanneer kinderen het verhaal lezen, herkennen zij soms gevoelens van gemis of denken zij aan een overleden familielid of huisdier. Het verhaal kan daardoor een veilige ingang vormen om over verdriet en herinneringen te praten.
Tegelijk biedt het boek ook een vorm van troost. Het idee dat een geliefde nog te herkennen kan zijn in kleine dingen om ons heen, in een glimlach, in de natuur of in herinneringen, kan kinderen helpen om hun gemis een plaats te geven. Zo laat het verhaal zien dat de band met iemand die is overleden niet volledig verdwijnt, maar op een andere manier kan blijven voortbestaan.

