De allesbepalende aanwezigheid van Ploef, de hond van Edward, maakt na zijn dood plaats voor een leegte van dezelfde omvang.

Bibliografische gegevens:

    • Titel: Ploef
    • Oorspronkelijke titel: P +E (Noorwegen, 2017)
    • Auteur: Espen Dekko
    • Illustraties: Mari Kanstad Johnsen
    • Uitgeverij: Tiptoe Print (2017)

Het verhaal

In Ploef van Espen Dekko en Mari Kanstad Johnsen staat de hechte band centraal tussen de jongen Edward en zijn hond Ploef, die oud en moe is geworden. Waar ze vroeger samen actief waren — wandelen, achter konijnen aan rennen en dicht tegen elkaar aan liggen, verschuift hun samenzijn geleidelijk naar rust en nabijheid. Ploef slaapt steeds vaker en heeft niet langer de energie om met Edward op pad te gaan. In deze verstilling wordt hun verbondenheid juist voelbaarder: Ploef merkt Edwards emoties op, voelt zijn hart bonken en troost hem door zijn handen te likken.

Wanneer Ploef uiteindelijk in een diepe slaap valt, wordt zijn dood niet expliciet benoemd, maar impliciet aangeduid als een ‘slaap zonder dromen’. Pas in de daaropvolgende scènes wordt duidelijk wat dit betekent. Edward blijft achter in een wereld die ogenschijnlijk onveranderd is: de konijnen en eenden zijn er nog, de vertrouwde plekken bestaan nog, en de zintuiglijke indrukken blijven hetzelfde. Tegelijkertijd is er een fundamenteel gemis. Ploefs mand is leeg, zijn etensbak staat ongebruikt in de kast en het huis is stil. Edward probeert zijn dagelijkse bezigheden te hervatten, maar merkt dat dit niet meer vanzelf gaat. Wanneer hij alleen naar buiten gaat, ervaart hij scherp dat alles er nog is, behalve Ploef. Juist in deze tegenstelling tussen aanwezigheid en afwezigheid wordt de impact van het verlies zichtbaar.

Hoe de dood wordt gepresenteerd

In Ploef  wordt de dood niet expliciet uitgelegd of gedramatiseerd, maar uiterst terughoudend en zintuiglijk gepresenteerd. De dood verschijnt hier niet als een abrupt moment, maar als een geleidelijke overgang die nauw verbonden is met vermoeidheid en het verlangen naar rust. De grote, oude hond Ploef is de vriend van de jongen Edward. Eigenlijk is hij te oud en te moe om nog samen met Edward buiten te hollen. Hij wil eigenlijk alleen maar slapen. Wat ze samen graag deden was: buiten wandelen, achter de konijnen aan, samen op de bank lezen, tegen elkaar aan liggen. Dat laatste doet Ploef nu het liefste en hij gaat alleen even naar buiten omdat Edward een beetje frisse lucht moet hebben,

Het sterven van Ploef voltrekt zich in de intimiteit van Edwards bed, ingebed in lichamelijke nabijheid en wederzijdse aandacht. Op het moment van sterven blijft de focus gericht op de relatie tussen hond en kind. Ploefs laatste gewaarwording is niet zijn eigen einde, maar Edward: hij voelt diens verdriet en reageert daarop met een tedere, lichamelijke geste:

Edward roept Ploef
Ploef hoort hem niet.
Hij heeft geen dorst.
Hij heeft geen honger.
Hij wil niet naar buiten.
Ploef wil lekker in Edwards bed blijven liggen.
En dromen.

Ploef voelt het bonken van Edwards hart.
Er is iets met Edward. Zijn ogen zijn nat.
Ploef likt Edwards handen. Dat heeft hij nodig.
En dan valt Ploef in slaap. Een diepe slaap.
Een slaap zonder dromen.

Het verhaal kan worden beschouwd als een voorbeeld van hoe doodservaringen voor jonge kinderen via nabijheid en zintuiglijke signalen begrijpelijk worden gemaakt, eerder dan via uitleg.

De tekst zelf vermijdt het woord ‘dood’ en kiest voor een indirecte, verzachtende formulering waarin slapen en verdwijnen in elkaar overlopen: deze formulering is kenmerkend voor een poëtische, maar ook concrete benadering van de dood, waarin het beeld van slaap enerzijds toegankelijk is voor kinderen, maar anderzijds ook expliciet wordt begrensd door de toevoeging zonder dromen waardoor het onderscheid met gewone slaap behouden blijft.

Het besef van de dood ontstaat vervolgens pas in de nasleep, wanneer de afwezigheid van Ploef voelbaar wordt in de wereld van Edward. Begrip van de dood komt dan pas op de laatste spread waar we een donkerblauw met zwart park zien met een bankje, daarop ligt een huilende Edward, op zijn buik gezicht op zijn armen. De konijnen en de eenden, waar Ploef altijd achter aan holde en op het laatste alleen maar van droomde, kijken naar Edward.

Ploefs mand is leeg.
Zijn etensbak staat in de kast.
Zonder iets erin.
Het is heel stil in huis.
Het lukt Edward niet om te lezen.
Hij gaat naar buiten. Wandelen. Zonder Ploef.
Alles is er. De geuren. De geluiden.
Zelfs de konijnen zijn er.
Maar Ploef is er niet.

 

En het verhaal sluit af met Edward die droomt over Ploef, over hoe ze samen stokken gooiden en Ploef ze terug bracht, hoe blij Ploef was, kwispelde en achter de konijn aan ging.

Net als vroeger.

 

De kern van de verbeelding ligt in de spanning tussen continuïteit en breuk: de wereld blijft intact, maar is tegelijkertijd onherroepelijk veranderd. De dood wordt daarmee niet zozeer voorgesteld als een gebeurtenis, maar als een ervaring van afwezigheid, samengevat in de formuleringen: Een slaap zonder dromen en Alles is er […] Maar Ploef is er niet. Deze benadering maakt de dood invoelbaar zonder deze volledig te verklaren en laat ruimte voor een persoonlijke, geleidelijke betekenisgeving.

Kernthema’s

In Ploef  komen verschillende kernthema’s samen die de emotionele en existentiële lading van het verhaal dragen. Deze thema’s worden niet expliciet benoemd, maar ontvouwen zich in de verstilde scènes en de sobere taal, waardoor zij op een invoelbare manier toegankelijk worden voor kinderen.

Afscheid en verbondenheid

Centraal staat de hechte band tussen Edward en Ploef, die juist in de laatste levensfase van de hond intens voelbaar wordt. Afscheid wordt niet gepresenteerd als een plotselinge breuk, maar als een proces waarin verbondenheid tot het einde toe aanwezig blijft. De lichamelijke nabijheid, samen liggen, aanraken, het voelen van elkaars hartslag, onderstreept dat de relatie blijft bestaan tot in het sterven zelf. Hierbij is opvallend dat ook het perspectief van de hond, Ploef, wordt weergegeven.

Vergankelijkheid en ouderdom

Ploefs toenemende vermoeidheid en zijn terugtrekking uit actieve bezigheden verbeelden het natuurlijke proces van ouder worden. De dood verschijnt niet als een abrupte gebeurtenis, maar als het gevolg van een geleidelijke lichamelijke aftakeling. Vergankelijkheid wordt daarmee gepresenteerd als een inherent onderdeel van het leven.

De dood als afwezigheid

De dood wordt niet uitgelegd, maar vooral voelbaar gemaakt door wat ontbreekt. De wereld van Edward blijft in veel opzichten hetzelfde, dezelfde plekken, geluiden en ritmes, maar verandert fundamenteel doordat Ploef er niet meer is. Betekenis ontstaat hier vanuit het gemis en de leegte die achterblijft.

Rouw als zintuiglijke ervaring

Rouw krijgt vorm in concrete, alledaagse ervaringen: de stilte in huis, een lege mand, het niet meer kunnen uitvoeren van vertrouwde handelingen. In plaats van emoties te benoemen, laat het verhaal zien hoe verlies zich manifesteert in het lichaam en in het dagelijks leven, waardoor het voor kinderen herkenbaar en invoelbaar wordt.

Continuïteit van de wereld

Tegelijkertijd laat het boek zien dat de wereld doorgaat. De natuur blijft aanwezig, dieren bewegen zich zoals voorheen en de omgeving verandert niet. Deze continuïteit vormt een contrast met het persoonlijke verlies en benadrukt de spanning tussen wat blijft en wat verdwenen is.

Openheid en interpretatieruimte

Het verhaal biedt geen verklaringen of afgeronde antwoorden, maar laat ruimte voor eigen interpretatie. Door deze openheid kunnen lezers op hun eigen niveau betekenis geven aan wat er gebeurt, zonder dat een specifieke visie op de dood wordt opgelegd.

Gezamenlijk vormen deze thema’s een gelaagd geheel waarin afscheid, liefde en verlies nauw met elkaar verweven zijn. Ploef maakt zichtbaar hoe de dood niet alleen een einde markeert, maar ook de waarde van de voorafgaande verbondenheid versterkt.

Symboliek

In Ploef  wordt de dood niet alleen verbeeld in woorden en handelingen, maar ook in een subtiel netwerk van symbolen die het verlies verdiepen en betekenis geven.

Slapen

Een centraal symbool is het slapen, dat geleidelijk verschuift van een alledaagse, vertrouwde handeling naar een beeld voor sterven. Waar slapen eerst verbonden is met rust en nabijheid, krijgt het in de formulering “een slaap zonder dromen” een definitieve en onomkeerbare betekenis. Het ontbreken van dromen markeert hier de grens tussen leven en dood: het vertrouwde wordt onherroepelijk anders.

Leegte en afwezigheid

Daarnaast spelen leegte en afwezigheid een belangrijke symbolische rol. De lege mand van Ploef, de ongebruikte etensbak en de stilte in huis fungeren als tastbare tekens van wat verdwenen is. Deze objecten verwijzen niet alleen naar Ploef zelf, maar ook naar de routines en zorgmomenten die met hem verbonden waren. Door hun leegte worden zij dragers van herinnering en gemis.

Omgeving

De omgeving fungeert eveneens als betekenisvol decor. Het park, de konijnen en de eenden, elementen die eerder verbonden waren met beweging en spel, keren terug in een verstilde context. Dat deze dieren blijven bestaan en zelfs toekijken, benadrukt de tegenstelling tussen de continuïteit van de wereld en het persoonlijke verlies van Edward. De natuur wordt zo een spiegel van wat onveranderd doorgaat, terwijl het gemis des te scherper voelbaar wordt.

Het lichaam

Ook het lichaam heeft een symbolische functie. Het voelen van Edwards hartslag, zijn tranen en Ploefs reactie daarop maken emoties concreet en zichtbaar. Aanraking wordt een vorm van communicatie die woorden overstijgt en uiteindelijk ook het afscheid draagt. De laatste handeling, het likken van Edwards handen, krijgt daardoor de betekenis van een stille, lichamelijke afscheidsgroet.

Aanwezigheid tegenover afwezigheid

Tot slot is er het terugkerende motief van aanwezigheid tegenover afwezigheid. De formulering ‘Alles is er […] Maar Ploef is er niet’ verwoordt deze spanning in zijn meest geconcentreerde vorm. Wat zichtbaar blijft, verwijst voortdurend naar wat ontbreekt. De wereld wordt zo een ruimte waarin herinnering en gemis naast elkaar bestaan.

Door deze samenhang van symbolen ontstaat een gelaagde verbeelding van de dood, waarin niet één enkel beeld centraal staat, maar meerdere subtiele tekens samen betekenis dragen. De symboliek in Ploef maakt het verlies niet explicieter, maar juist invoelbaarder, doordat het zichtbaar wordt in alledaagse dingen die plotseling een andere lading krijgen.

Rol van de illustraties en kleurgebruik 

De illustraties van Mari Kanstad Johnsen spelen in Ploef een wezenlijke rol in de verbeelding van verlies en verbondenheid. Haar beeldtaal kan wordengekarakteriseerd als expressief en intuïtief, waarbij de tekenstijl zich onttrekt aan strakke realistische verhoudingen en juist de innerlijke belevingswereld van het kind centraal stelt. De ogenschijnlijk losse lijnvoering en het vrije kleurgebruik dragen bij aan een visuele openheid waarin emotie niet wordt vastgelegd, maar gesuggereerd.

Het kleurgebruik ontwikkelt zich in samenhang met de emotionele lading van het verhaal. In de scènes overheersen warmere en lichtere tinten die de nabijheid tussen Edward en Ploef ondersteunen. Naarmate het verhaal vordert en Ploef zich steeds verder terugtrekt, verschuift het palet naar koelere, donkerdere kleuren. In de slotscènes domineren diepe blauwen en zwarttinten, wat een sfeer van stilte en zwaarte oproept. Deze kleurverschuiving kan wordengezien als een visuele parallel van het rouwproces: niet abrupt, maar geleidelijk en voelbaar.

Opvallend is de schaalverhouding tussen Ploef en Edward. Ploef wordt extreem groot afgebeeld in verhouding tot de jongen. Deze uitvergroting is niet een realistische weergave, maar een visuele uitdrukking van betekenis: Ploef is zo groot als hij wordt ervaren. Hij is niet alleen een hond, maar een allesomvattende aanwezigheid in Edwards leven, kameraad, trooster en vertrouwd anker. Juist deze uitvergrote aanwezigheid maakt het latere gemis des te indringender. Wanneer Ploef verdwijnt, blijft er een leegte achter die visueel even groot is als zijn eerdere aanwezigheid.

Ook de compositie draagt bij aan deze betekenislaag. Figuren bevinden zich vaak in ruime, open vlakken, waardoor zij kwetsbaar en klein kunnen ogen, vooral na Ploefs dood. De leegte rondom Edward krijgt daarmee een tastbare kwaliteit. Deze ruimtelijkheid wordt verbonden aan het vermogen van de illustraties om stilte zichtbaar te maken: wat niet wordt ingevuld, krijgt betekenis.

Daarnaast keren visuele elementen terug, zoals het park en de dieren, maar in een veranderde context. Waar deze eerder verbonden waren met beweging en samenzijn, verschijnen zij later in een verstilde, observerende rol. Dit benadrukt de continuïteit van de wereld tegenover het persoonlijke verlies.

De illustraties en het kleurgebruik maken zo zichtbaar wat in woorden slechts wordt aangeraakt: de dood als een verschuiving in ervaring, waarin niet alleen iemand verdwijnt, maar ook de verhouding tot de wereld verandert.

Betekenis voor kinderen

In Ploef  ligt de betekenis voor kinderen in de manier waarop het boek ruimte biedt om verlies te ervaren zonder dit te willen verklaren of oplossen. Centraal staat de band tussen een kind en zijn trouwste vriend, een hond, en de ingrijpende ervaring van het meemaken van de dood van deze viervoetige metgezel. Juist deze herkenbare en intieme relatie maakt het verhaal voor kinderen bijzonder invoelbaar.

Het boek sluit nauw aan bij de belevingswereld van kinderen doordat het uitgaat van concrete ervaringen: nabijheid, lichamelijk contact, dagelijkse handelingen en het geleidelijk verdwijnen daarvan. De dood wordt niet uitgelegd in abstracte termen, maar voelbaar gemaakt via wat een kind ziet, ervaart en mist. Hierdoor ontstaat een herkenbaar kader waarin kinderen hun eigen gevoelens kunnen plaatsen.

Voor kinderen laat het verhaal zien dat verdriet zich niet alleen uit in zichtbare emoties zoals huilen, maar ook in stilte, in het niet meer kunnen uitvoeren van gewone activiteiten en in het gevoel dat iets essentieels ontbreekt. Doordat Edward zijn verlies niet onder woorden brengt, maar beleeft in zijn lichaam en in zijn omgeving, ontstaat er ruimte voor identificatie en eigen betekenisgeving.

De voorstelling van de dood als een slaap zonder dromen maakt het thema toegankelijk, terwijl tegelijkertijd duidelijk wordt dat deze toestand definitief is. Het boek kiest daarmee voor een benadering die zowel zacht als eerlijk is, en die kinderen niet overspoelt, maar ook niets verdoezelt.

Daarnaast biedt Ploef houvast door te laten zien dat de wereld blijft bestaan. De omgeving verandert niet, het leven gaat door, en binnen die continuïteit krijgt het gemis een plaats. Voor kinderen kan dit helpend zijn: het verlies wordt erkend, maar staat niet gelijk aan het verdwijnen van alles.

De openheid van het verhaal vormt ten slotte een belangrijke kwaliteit. Er worden geen verklaringen of oplossingen aangereikt, waardoor kinderen worden uitgenodigd om zelf betekenis te geven aan wat er gebeurt. Ploef fungeert zo als een gedeelde ruimte waarin kinderen, samen met een volwassene, kunnen stilstaan bij afscheid, herinnering en wat het betekent om een dierbare, en in dit geval een trouw huisdier, te verliezen.